Dit is deel 1 van de serie “Naaitermen”! In deze serie leg ik je de bekendste (en vaak meest verwarrende) naaitermen uit. We beginnen met één van de belangrijkste:
Recht-van-draadlijn / recht van draadknippen
Het principe van je patroondelen zo op de stof leggen, dat de pijl parallel loop aan de weefkant van de stof.

Op veel naaipatronen zie je in het midden van een patroondeel een lange verticale lijn of pijl. Deze lijn is de recht-van-draadlijn en heeft 2 functies:
- de lijn zorgt ervoor dat je je patroondeel niet op de kop uitknipt;
- én de lijn zorgt ervoor dat de rek in de stof de juiste kant op gaat (in de breedte).

Vouw je stof eerst op de juiste manier dubbel, namelijk met de weefkanten (zelfkanten) op elkaar. De weefkanten zijn de stijve randen die aan de stof zitten, soms met een wit vlak waarin het merk stoffen staat. Dit is als het ware de “zijkant” van de stof.
Als je de stof met de weefkanten op elkaar vouwt, loopt de natuurlijke rek in de stof de goede kant op.

Leg nu je patroondelen op de stof, en laat de recht-van-draadlijn parallel lopen aan de weefkant.

Meet secuur vanaf de weefkant tot de recht-van-draadlijn op een paar plekken, zodat je zeker weet dat het patroondeel recht ligt.
Je mag ook vanaf de stofvouw meten als die dichterbij ligt!

Dubbelcheck ook of de pijl juist ligt: de punt van de pijl wijst naar de onderkant van het patroondeel, in dit geval de hartjes!

Hierboven zie je een voorbeeld van hoe je de pijl van het achterpand NIET moet leggen, want anders lopen de hartjes bij het achterpand op de kop. Bij een effen stof zou dit geen probleem zijn – maar let wel op een eventuele vleug (haartjes in de stof, zoals bij velours). Daarover meer in een toekomstige blogpost 😉
Knip je een patroondeel aan de vouw? Dan zie je meestal geen aparte recht-van-draadlijn op jet patroondeel, omdat deze al samenvalt met de stofvouw.
Schuine recht-van-draadlijn?
Soms lijkt de recht-van-draadlijn schuin te lopen op een patroondeel. Dat kan! Leg nog steeds de recht-van-draadlijn parallel aan de weefkant, zodat het patroondeel schuin op de stof valt.
De schuine lijn in de stof noemen de we biais (spreek uit: biejéé). De biais heeft van nature veel rek, dus dan zullen de patroondelen heel soepel vallen. Denk bijvoorbeeld aan een satijnen (onder)jurkje. Let op dat een eventueel printje dus ook schuin zal lopen, dus deze patronen zijn het meest geschikt voor effen stoffen of fantasieprintjes.
—
Dat was de recht-van-draadlijn! Ik hoop dat je je patroondelen nu met meer zelfvertrouwen kan neerleggen op je stof, en dat je geen op-de-kop-hartjes meer hebt 🙂

